Beleidsregel stage en patronaat 2018

 

Paragraaf 1. Goedkeuring stage en patroon (artikel 3.5 Voda)

Artikel 1. Verzoek goedkeuring stage en patroon (artikel 3.5 lid 2 Voda)

1. Een verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon wordt ingediend door middel van het daarvoor door de algemene raad vastgestelde formulier vóór indiening van het verzoek tot beëdiging.
2. Bij het verzoek legt de stagiaire over:
a. een bewijs van de instemming van de beoogd patroon en het bewijs, dat de beoogd patroon een patroonscursus heeft gevolgd, indien van toepassing;
b. de voor de stage relevante overeenkomsten met de beoogd patroon of zijn kantoor, waaronder de arbeidsovereenkomst en/of de stageovereenkomst en/of de samenwerkingsovereenkomst;
c. het stagebegeleidingsplan.
3. De stagiaire-ondernemer legt tevens de volgende stukken over:
a. een motivering van het verzoek om de stage als stagiaire-ondernemer te vervullen;
b. een ondernemingsplan;
c. een bewijs van een passende kredietfaciliteit of voldoende vermogen zoals bedoeld in artikel 3.12 lid 1 Voda met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 lid 5 sub b van deze beleidsregel;
d. een offerte van de arbeidsongeschiktheidsverzekering inclusief verzekeringsvoorwaarden;
e. een concept-huurovereenkomst voor ten minste de te verwachten duur van de stage van een ruimte in het kantoor van de beoogd patroon;
f. de vastlegging van de afspraken over waarneming bij ziekte en vakantie;
g. de overeenkomst met de stichting derdengelden, statuten van de stichting derdengelden en een uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel of het bericht als bedoeld in artikel 6.21 lid 3 Voda dat de beoogd stagiaire-ondernemer niet de beschikking zal hebben over een stichting derdengelden;
h. een offerte van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering inclusief verzekeringsvoorwaarden, welke verzekering voldoet aan afdeling 6.6 Voda;
i. bewijs dat de organisatie van het kantoor van de stagiaire-ondernemer, inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie van het kantoor, adequaat zullen zijn ingericht conform artikel 3.11 en hoofdstuk 6 Voda, een (digitaal) kantoorhandboek daaronder begrepen;
j. bewijs dat de beoogd patroon een patroonscursus heeft gevolgd.

Artikel 2. Beoordeling goedkeuring van de stage en patroon (artikel 3.6 Voda)

1. De raad van de orde slaat bij de beoordeling van de geschiktheid van de beoogd patroon onder meer acht op tuchtrechtelijke maatregelen die aan de beoogd patroon zijn opgelegd in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon (artikel 3.6 lid 1 sub a Voda).
2. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon in ieder geval indien onregelmatigheden zijn gebleken aan de raad van de orde, die plaatsvonden in de drie jaar voorafgaand aan het goedkeuringsverzoek en die onregelmatigheden zien op
a. de begeleiding of praktijkvoering door de beoogd patroon of van een of meer van zijn kantoorgenoten, voor zover de laatstbedoelde(n) ten tijde van het goedkeuringsverzoek nog aan het kantoor verbonden is/zijn, of
b. onbetamelijk gedrag van de beoogd patroon(artikel 3.6 lid 1 sub b Voda).
3. Indien de beoogd patroon korter dan zeven jaar maar langer dan vijf jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest, zal de raad van de orde slechts goedkeuring van de stage en de beoogd patroon verlenen indien:
a. de beoogd patroon beschikt over voldoende ervaring om de stagiaire te begeleiden;
b. de beoogd patroon een patroonscursus heeft gevolgd;
c. het patronaat geen buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer betreft;
d. de beoogd patroon geen andere stagiaires heeft en ook geen begeleiding geeft aan een of meer juridisch medewerkers;
e. de beoogd patroon en stagiaire aannemelijk maken dat het vinden van een andere patroon onevenredig bezwaarlijk is; en
f. er geen andere overwegende bezwaren tegen goedkeuring bestaan (artikel 3.6 lid 1 sub c Voda).
4. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring aan het verzoek tot goedkeuring van de stage en de beoogd patroon indien in de drie jaren voorafgaand aan het verzoek om goedkeuring van de beoogd patroon van een of meer stagiaires de stage is geëindigd zonder stageverklaring om redenen die, naar het oordeel van de raad van de orde, gehoord de beoogd patroon, zijn toe te rekenen aan de beoogd patroon of het kantoor (artikel 3.6 lid 1 sub g Voda).
5. De raad van de orde onthoudt de goedkeuring aan het verzoek tot goedkeuring van de stage en de beoogd patroon indien het een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer betreft en de beoogd patroon reeds begeleiding geeft aan een stagiaire. Evenzo onthoudt de raad van de orde goedkeuring indien de patroon reeds een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer begeleidt en de patroon een stagiaire wil aannemen (artikel 3.6 lid 1 sub h Voda).
6. Bij de beoordeling of te verwachten valt dat er onvoldoende begeleiding van de stagiaire in de praktijkuitoefening zal zijn, houdt de raad van de orde rekening met eventuele begeleiding die de beoogd patroon aan juridisch medewerkers geeft (artikel 3.6 lid 1 sub h Voda).

Artikel 3. Goedkeuring stukken (artikel 3.5 Voda)

1. De in artikel 1 lid 2 en 3 van deze beleidsregel genoemde stukken behoeven de goedkeuring van de raad van de orde.
2. Voor de goedkeuring van de stage van de stagiaire werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst moet in ieder geval aan de volgende eisen zijn voldaan:
a. De stage kan worden afgerond gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst, uitgaande van de bij de aanvang overeengekomen wekelijkse arbeidsduur.
b. Het salaris van de stagiaire is voldoende om de onafhankelijkheid van de stagiaire in zijn hoedanigheid van advocaat te waarborgen. De raad van de orde maakt daartoe jaarlijks in november een minimumsalaris bekend. Voor de bepaling van het voor de indexering te hanteren percentage wordt uitgegaan van de consumentenprijsindex met peildatum oktober. Het indexcijfer per oktober 2017 bedraagt + 1,3.
Het salaris voor een eerstejaarsstagiaire bedraagt na indexering € 2.322 (was € 2.292),
voor een tweedejaarsstagiaire € 2.646 (was € 2.612) en voor een derdejaarsstagiaire € 2.941 (was € 2.903).
c. De kosten van de beroepsopleiding komen in beginsel voor rekening van (het kantoor van) de patroon. Een voorstel tot afwijking van dit uitgangspunt wordt gemotiveerd in het verzoek als bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze beleidsregel.
d. Een eventuele terugbetalingsregeling met betrekking tot de nettokosten van de beroepsopleiding, kent een glijdende schaal, in die zin dat de door de stagiaire te vergoeden kosten afnemen met het verstrijken van de tijd, waarbij in beginsel aan het einde van de stage geen terugbetalingsverplichting meer geldt.
e. Er geldt geen concurrentiebeding.
g. Een eventueel relatiebeding mag de vrije advocaatkeus niet aantasten en heeft een duur van maximaal een jaar.
3. Indien de arbeidsovereenkomst een proeftijdbeding bevat wordt de stage niet eerder goedgekeurd dan na afloop van die proeftijd.
4. Een geschillenregeling, waarbij de raad van de orde wordt aangewezen als bindend adviseur, is toegestaan:
5. Bij de goedkeuring neemt de raad van de orde ten aanzien van de stukken van een stagiaire-ondernemer het volgende in acht:
a. In het ondernemingsplan dient te worden onderbouwd naar welke omzet gedurende de verschillende jaren van de stage wordt gestreefd en dient voorts te worden onderbouwd dat de stagiaire-ondernemer zich gedurende de stage een redelijk inkomen kan verwerven dat zich na het eerste jaar zich ten minste op het niveau bevindt van het salaris hiervoor in lid 2 sub b bedoeld, vermeerderd met de praktijkkosten. De in het ondernemingsplan genoemde cijfers moeten gefundeerde verwachtingen en/of aannames zijn en moeten door de stagiaire-ondernemer met door de raad van de orde te wegen concrete feiten en omstandigheden onderbouwd worden. De hiervoor omschreven praktijkkosten betreffen in het bijzonder, maar niet uitsluitend, de premies van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en de arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede de kosten zoals bedoeld in sub d en e. Uit het ondernemingsplan moet voorts blijken dat de stagiaire-ondernemer tenminste 32 uur per week werkt als advocaat (artikel 3.3 lid 2 Voda).
b. De kredietfaciliteit dan wel het vermogen als bedoeld in artikel 3.12 lid 1 Voda bedraagt tenminste € 45.000,--. Het vermogen moet op een bankrekening ten name van het advocatenkantoor van de stagiaire-ondernemer worden aangehouden en direct en zonder kosten beschikbaar zijn en uitsluitend bestemd zijn voor de praktijkvoering. De kredietfaciliteit respectievelijk het vermogen wordt gedurende de looptijd van de stage in stand gehouden en het bewijs van het bestaan ervan wordt op eerste verzoek aan de raad van de orde overgelegd. Verpanding van de vorderingen die hun oorsprong vinden in de advocatuurlijke activiteiten van de stagiaire-ondernemer is niet toegestaan. De stagiaire-ondernemer wordt gewezen op de verslagverplichtingen uit artikel 3.12 lid 2 Voda.
c. De offerte (en later polis) van de arbeidsongeschiktheidsverzekering dient te voorzien in dekking vanaf de 32e dag van arbeidsongeschiktheid en een uitkering ter hoogte van minimaal het salaris van een stagiaire als hiervoor in lid 2 sub b bedoeld.
d. De geldelijke vergoeding voor de beoogd patroon voor de begeleiding van de stagiaire-ondernemer zal in beginsel nihil zijn. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien daarvoor naar het oordeel van de raad van de orde, door de stagiaire-ondernemer en beoogd patroon te onderbouwen gronden bestaan. De geldelijke vergoeding is in elk geval niet afhankelijk van:
i. door de beoogd patroon aan de (de opleiding van) stagiaire-ondernemer te besteden tijd;
ii het (uur)tarief dat de beoogd patroon gewoonlijk in rekening brengt aan zijn cliënten; en/of
iii. de omzet van de stagiaire-ondernemer.
Een andere vergoeding dan een geldelijke is niet toegestaan.
e. De geldelijke vergoeding die de stagiaire-ondernemer aan de beoogd patroon dan wel een derde is verschuldigd ter zake van het houden van kantoor zal, gedurende de stage niet meer bedragen dan een maandelijks bedrag van € 1.000,--, met dien verstande dat de raad van de orde voor wat betreft het tweede en latere stagejaren op verzoek van de stagiaire-ondernemer een hoger maandelijks bedrag kan goedkeuren, mits dit bedrag naar de mening van de raad van de orde in redelijke verhouding staat tot de door de stagiaire-ondernemer gerealiseerde omzet.
f. De raad toetst expliciet, zulks met inachtneming van de geldelijke vergoeding genoemd onder sub e., of de huur redelijk te noemen is.

Artikel 4. Ontheffing EU advocaat (artikel 3.6 lid 2 Voda)

Indien de beoogd patroon, bedoeld in artikel 3.6 lid 2 Voda, korter dan vier jaar maar langer dan twee jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven geweest, zal de raad van de orde het verzoek goedkeuring stage en de beoogd patroon slechts goedkeuren indien is voldaan aan alle voorwaarden die hierboven in artikel 2 lid 3 staan vermeld.

Paragraaf 2. Vrijstelling kantoor houden bij patroon ex artikel 9b lid 3 Advocatenwet

Artikel 5. Aanvraag

1. Een verzoek om vrijstelling om bij de beoogd patroon kantoor te houden, bedoeld in artikel 9b lid 3 Advocatenwet, wordt gelijktijdig ingediend met het verzoek goedkeuring stage en patroon althans tenminste een maand voor de datum waarop de vrijstelling van kracht moet zijn.
2. De stagiaire gebruikt voor het verzoek het daarvoor bedoelde formulier van de raad van de orde en legt daarbij de in artikel 1 van deze beleidsregel genoemde bescheiden over.

Artikel 6. Beoordeling behoorlijke praktijkuitoefening

Bij de beoordeling of er sprake is van een behoorlijke praktijkuitoefening als bedoeld in artikel 9b lid 3 Advocatenwet, neemt de raad van de orde de volgende aspecten in acht:
a. de stagiaire houdt voor de dagelijkse begeleiding in de uitoefening van de praktijk kantoor bij een advocaat die langer dan vijf jaar als zodanig werkzaam is, in het bezit is van een verklaring dat de stage is voltooid en bij wie geen andere stagiaire werkzaam is;
b. de stagiaire en beoogd patroon zijn in de gelegenheid om op regelmatige basis, dat wil zeggen het eerste jaar dagelijks, overleg te plegen over de lopende zaken en de in- en uitgaande post;
c. de beoogd patroon bezoekt op regelmatige basis, dat wil zeggen in het eerste jaar ten minste wekelijks en vanaf het tweede jaar tenminste eens per vier weken, het kantoor van de stagiaire;
d. de stagiaire bezoekt op regelmatige basis, dat wil zeggen in het eerste jaar ten minste wekelijks en vanaf het tweede jaar tenminste eens per twee weken, het kantoor van de beoogd patroon;
e. de organisatie van het kantoor van de stagiaire, inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie van het kantoor, zijn adequaat ingericht conform artikel 3.11 en hoofdstuk 6 Voda.

Artikel 7. Weigering vrijstelling stagiaire-ondernemers en stagiaires in dienstbetrekking

a. Van de verplichting kantoor te houden bij de patroon wordt aan een stagiaire-ondernemer geen vrijstelling verleend.
b. Van de verplichting kantoor te houden bij de patroon wordt aan een advocaat-stagiaire in dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5.9 sub e, f of g Voda in beginsel geen vrijstelling verleend.

Artikel 8. Aan vrijstelling verbonden voorwaarden

Aan de vrijstelling worden de volgende voorwaarden verbonden:
a. de stagiaire voldoet aan de voorschriften, gesteld bij of krachtens de Advocatenwet;
b. de stagiaire en de beoogd patroon komen de overeengekomen afspraken in het kader van de begeleiding na, zoals ze bij de aanvraag, bedoeld in artikel 1 van deze beleidsregel, zijn overgelegd;
c. de stagiaire en de beoogd patroon informeren de raad van de orde per ommegaande over wijzigingen in de kantoorsituatie van de stagiaire en/of de beoogd patroon die voor de vrijstelling relevant kunnen zijn.

Artikel 9. Intrekken vrijstelling

1. De raad van de orde trekt de vrijstelling in, indien:
a. de patroon of stagiaire zich niet aan artikel 3.8, 3.9 lid 2 en 3.13 Voda houden;
b. de patroon of stagiaire de raad van de orde onvoldoende of niet juist informeren over de (kantoor)situatie van de patroon of stagiaire;
c. de raad van de orde van oordeel is dat de begeleiding van de stagiaire door de patroon onvoldoende is;
d. de stagiaire zich op enigerlei wijze of in enige mate aan de begeleiding door de patroon of de raad van de orde onttrekt, waarbij onder meer gekeken wordt naar de reactie op verzoeken om inlichtingen, de bereikbaarheid, het beantwoorden van verzoeken om een reactie of andere berichten;
e. de administratie niet conform de daartoe gestelde regels, in het bijzonder die uit hoofdstuk 6 Voda, is ingericht.
2. Voordat de raad van de orde een besluit tot intrekking neemt, stelt hij de patroon en de stagiaire in de gelegenheid hun zienswijze daarover naar voren te brengen.
3. Nadat de vrijstelling is ingetrokken onderzoekt de raad van de orde of de stagiaire kantoor houdt bij de patroon. Indien dat niet het geval is, mag de stagiaire de praktijk niet uitoefenen en is op grond van artikel 3.4 lid 2 Voda de stage van rechtswege opgeschort.

Paragraaf 3. Bemiddeling bij zoeken patroon

Artikel 10. Bemiddeling bij het zoeken van een patroon (artikel 3.7 Voda)

1. De raad van de orde kan bij het zoeken naar een (tijdelijke) patroon bemiddelen indien de stagiaire aan de raad van de orde aantoont dat de zoekacties vruchteloos zijn.
2. Een verzoek tot bemiddeling ontslaat de stagiaire niet van de verantwoordelijkheid om zelf te zoeken naar een nieuwe patroon.

Paragraaf 4. Verkorting, verlenging en voltooiing van de stage

Artikel 11. Verkorting stage (artikel 9b, lid 2 Advocatenwet)

Op een verzoek tot verkorting van de duur van de stage past de raad van de orde de beleidsregel stageverkorting van de algemene raad toe.

Artikel 12. Verlenging van de stage (artikel 9b lid 2 Advocatenwet)

1. De raad van de orde kan de stage verlengen, indien het aannemelijk is dat voor het einde van de termijn de stagiaire alsnog over voldoende praktijkervaring beschikt en dat de ontbrekende verplichtingen binnen die nadere termijn zijn vervuld.
2. Indien na afloop van de verlenging niet is voldaan aan de vereisten voor afgifte van de verklaring van voltooide stage onderzoekt de deken de mogelijkheid van toepassing van artikel 46f Advocatenwet.

Artikel 13. Voltooiing van de stage (artikel 3.2, 3.9 en 3.10 Voda)

1.De raad van de orde ontvangt voor de beoordeling van de vraag of de stage is voltooid van de patroon en/of stagiaire de volgende gegevens:
a. het bewijs van het voldoen aan de verplichtingen in artikel 3.9, lid 1 Voda;
b. het bewijs van het voldaan hebben aan de verplichtingen in artikel 3.10 lid 1 Voda;
c. het bewijs van het behaald hebben van de beroepsopleiding advocaten als bedoeld in artikel 3.21 Voda;
d. een verklaring van de patroon dat de stagiaire geschikt is voor het beroep van advocaat en over voldoende praktijkervaring beschikt en zelfstandig en naar behoren de praktijk kan uitoefenen;
e. eventuele overige informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling.
2. Bij de beoordeling of er sprake is van voldoende praktijkervaring als bedoeld in artikel 9b lid 2 Advocatenwet, neemt de raad van de orde mede de volgende aspecten in acht:
a. of de stage al dan niet opgeschort is geweest ingevolge artikel 3.4 Voda;
b. of de stagiaire heeft voldaan aan de verplichtingen in de artikelen 3.8, 3.9 en 3.10 Voda;
c. indien het een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer betreft, of de stagiaire heeft voldaan aan artikel 3.11 Voda;
d. of er klachten, al dan niet strafrechtelijk of tuchtrechtelijk, bekend zijn over de stagiaire, zijn patroon of het kantoor van de stagiaire of de patroon.
e. of de stagiaire zelfstandig en naar behoren de praktijk kan uitoefenen.
3. Bij de beoordeling of voldaan is aan artikel 3.9 lid 1 sub a Voda met betrekking tot de zittingservaring neemt de raad het volgende in acht:
a. de proceservaring moet zijn opgedaan onder begeleiding van een patronabele advocaat, terwijl gedurende de zitting zelfstandig is opgetreden, zonder bijstand van een andere advocaat.
b. er moet zijn opgetreden in procedures op tegenspraak. Een optreden voor de Europese Commissie, in arbitrages, bij de NMA, CGR, in bezwaar- of beroepsprocedures bij een bestuursorgaan of vergelijkbare instanties telt mee als optreden in rechte;
c. de zitting ter gelegenheid waarvan de pleitnota of spreekaantekeningen is opgevoerd als processtuk in het kader van artikel 3.9 lid 1 sub b. Voda kwalificeert/kwalificeren niet als optreden in rechte in de zin van artikel 3.9 Voda;
d. een zitting moet van voldoende juridisch en inhoudelijk gewicht zijn, zodat bijvoorbeeld de volgende zittingen niet meetellen tenzij de stagiaire naar het oordeel van de raad van de orde aantoont dat er sprake is van voldoende gewicht:
i. faillissementszitting;
ii. verificatiezitting in faillissement;
iii. Wet Mulder-zittingen;
iv. pro forma zitting, bijvoorbeeld in strafrecht of in arbeidsrechtelijke ontbindingsprocedures;
v. strafrechtelijk verhoor/FIOD–verhoor;
vi. descente;
vii. zitting raad van discipline/hof van discipline, waarbij de stagiaire zelf beklaagde is;
viii. mediation-bijeenkomsten.
4. Bij de beoordeling of voldaan is aan artikel 3.9 lid 1 sub b Voda met betrekking tot de processtukken neemt de raad het volgende in acht:
a. indien de stagiaire het volledige processtuk niet volledig zelf heeft vervaardigd, moet hij aantoonbaar een aanzienlijk aandeel in de totstandkoming daarvan hebben gehad;
b. de advocaat op wiens naam het processtuk staat, verschaft in voorkomend geval een gemotiveerde verklaring dat de stagiaire het processtuk of een aanzienlijk deel daarvan heeft opgesteld;
c. de pleitnota of spreekaantekeningen ter gelegenheid van een zitting die is opgevoerd in het kader van artikel 3.9 lid 1 sub a Voda kwalificeert/kwalificeren niet als processtuk.
d. een processtuk moet van voldoende juridisch en inhoudelijk gewicht zijn, zodat bijvoorbeeld de volgende processtukken niet meetellen, tenzij de stagiaire naar het oordeel van de raad van de orde aantoont dat er sprake is van voldoende gewicht:
i. faillissementsrekest;
ii. verzoekschrift teboekstelling luchtvaartuig;
iii. beroepschrift curatorium beroepsopleiding (voor stagiaire zelf noch een ander);
iv. bezwaarschrift parkeerboete/snelheidsovertreding/Wet-Mulder-zaken;
v. appeldagvaarding zonder grieven;
vi. akte overlegging producties;
vii. verweer tuchtzaak raad van discipline/hof van discipline, waarbij de stagiaire zelf beklaagde is;
viii. klacht tegen politieoptreden;
ix. anticipatie-exploot;
x. verzoek om onderzoekshandelingen ex art.182 Sv;
xi. verzoek tot teruggave inbeslaggenomen goederen ex art. 94 Sv.


Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 14. Hardheidsclausule

Indien de toepassing van deze beleidsregel naar het oordeel leidt tot een onevenredige uitkomst kan de raad van de orde van deze beleidsregel afwijken.

Aldus vastgesteld door de raad van de orde in het arrondissement Rotterdam op 12 oktober 2018 en vervolgens gepubliceerd op de website van de orde. De beleidsregel is geldend vanaf 12 oktober 2018. Eerdere beleidsregels ten aanzien van artikel 9b van de Advocatenwet en hoofdstuk 3 van de Voda zijn hiermee vervallen.

Namens de raad van de orde:


Deken Secretaris

 

 De getekende versie van deze beleidsregel Stage en Patronaat 2018 kunt u hier downloaden.