RICHTLIJN VERDELING VERGOEDING
BIJ OPVOLGING IN TOEVOEGINGSZAKEN



Inleiding

1. Geregeld wordt de Raad van Toezicht Rotterdam geconfronteerd met verzoeken van advocaten om bemiddeling bij de verdeling van vergoedingen na het overnemen van civiele en strafzaken in de toevoegingspraktijk. Een eerdere richtlijn van de Raad betrof uitsluitend de overname van strafzaken, maar dezelfde systematiek geldt ook voor civiele zaken. Daarom is thans een richtlijn opgesteld die de problematiek rond de overname van alle toevoegingszaken beoogt te omvatten. Daarbij is ook gestreefd naar verduidelijking ter zake van enkele onderdelen die herhaaldelijk een bron van geschil lijken te zijn.


2. Het staat advocaten uiteraard vrij om in afwijking van deze richtlijn onderlinge afspraken te maken, maar in geval van een geschil zal de richtlijn leidend zijn voor de deken.

 


Richtlijn

1. Als uitgangspunt geldt dat tussen de opgevolgde en de opvolgende raadsman wordt afgerekend op basis van het pro rata- beginsel. Concreet wil dit zeggen dat het bedrag van de vaststellingsvergoeding, inclusief opvolgingsvergoeding en overige door de Raad voor Rechtsbijstand toegekende toeslagen en exclusief eventuele reistijd- en kilometervergoeding, wordt gedeeld door het totaal aantal uren dat zowel de opgevolgde als de opvolgende raadsman aan de zaak hebben besteed, waarna de vergoeding tussen beide raadslieden verdeeld wordt naar evenredigheid van de door ieder van hen aan de zaak bestede tijd. De vergoedingen voor de reistijd en de gemaakte reiskosten komen toe aan de raadsman die deze reistijd heeft besteed en deze reiskosten heeft moeten maken.


2. De opgevolgde raadsman is gehouden bij de overname aan de opvolgende raadsman een opgave te verstrekken van de door hem tot dan toe aan de zaak bestede tijd en de door hem verrichte werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de uiteindelijke vaststelling van de vergoeding door de Raad voor Rechtsbijstand. De opvolgende raadsman betrekt die opgave vervolgens in zijn verzoek tot vaststelling van de vergoeding aan de Raad voor Rechtsbijstand bij diens voltooiing van de werkzaamheden in de zaak.


3. Toevoegingen in zaken die niet zijn aangemerkt als bewerkelijke zaak dienen door de opvolgende raadsman binnen een maand na beëindiging van de krachtens die toevoeging verrichte werkzaamheden bij de Raad voor Rechtsbijstand te worden gedeclareerd. Indien het een bewerkelijke zaak betreft, bedraagt bovenbedoelde termijn twee maanden.


 

4. De opvolgende raadsman is, zowel in bewerkelijke als niet-bewerkelijke zaken, gehouden om binnen 14 dagen na ontvangst van de vaststellingsvergoeding, een schriftelijk voorstel te doen aan de opgevolgde raadsman aangaande het aan hem toekomende bedrag, onder overlegging van de vaststellingsvergoeding.
Indien de opgevolgde raadsman akkoord gaat met bedoeld voorstel, stuurt hij een declaratie aan de opvolgende raadsman. De opvolgende raadsman is gehouden bedoelde declaratie te voldoen, binnen de op de declaratie vermelde betalingstermijn.


5. Indien en voor zover de opvolgende en opgevolgde raadsman geen overeenstemming bereiken over de vergoeding, kan de deken schriftelijk om bemiddeling worden verzocht. Daarbij gelden voor de deken de hiervoor genoemde regels als uitgangspunt.


6. Voor bepaling van het aantal aan de zaak bestede uren zal de deken - in geval dat in geschil is - zich bij bewerkelijke zaken laten leiden door het aantal uren dat door de Raad voor Rechtsbijstand is goedgekeurd. In geval van niet-bewerkelijke zaken geldt dat alleen die uren in aanmerking komen voor vergoeding welke als redelijk worden beschouwd. Daarbij zal de opgave van de uren zoals die is gedaan ter zake van de vaststelling van de vergoeding aan de Raad voor Rechtsbijstand in beginsel leidend zijn.


Rekening houdend met het gestelde onder 3. dient daarbij ook de opgave van de opgevolgde raadsman te zijn betrokken.

 


Rotterdam, 16 december 2011